De bonte Vlinders, de vlijtige Mieren, de lastige Vliegen, de lichtschuwe Duizendpooten,de kunstig wevende Spinnen en een onnoemelijk aantal andere dieren, die aan de genoemdezeer nauw verwant zijn, vormen de hoofdafdeeling, op welker eigenaardigheden wij nuuw aandacht willen vestigen. Er bestaat een zeer belangrijk verschil tusschen dezedieren en de Gewervelde, hoewel beider bouwplan in zoover overeenstemt, dat de linkerlichaamshelft het spiegelbeeld is van de rechter en dat de buikzijde van de rugzijdeverschilt. Terwijl echter de Zoogdieren, Vogels, Reptiliën, Amphibiën en Visschenvoorzien zijn van een inwendig beenig of kraakbeenig geraamte met een meestal uit wervels samengestelde as, datsteunpunten levert aan alle daaraan gehechte spieren en, door deze bedekt, zijn geledingniet duidelijk openbaart, komen bij de tweede hoofdafdeeling lijnrecht hieraan tegenovergesteldeverschijnselen voor. De buitenste laag van de lichaamsbekleeding, die met het spierstelselvereenigd is tot een zoogenaamden huidspierzak, vormt een min of meer stevig pantser,dat, om bewegingen toe te laten, in leden is verdeeld, die door betrekkelijk dunnevliezen verbonden zijn. De leden zijn min of meer ongelijksoortig en vereenigen zichmeestal groepsgewijs tot lichaamsafdeelingen van hoogeren rang; zoo ontstaat bij sommigede onderscheiding van kop, borststuk en achterlijf; bij andere versmelten de beideeerste afdeelingen tot één, het zoogenaamde kopborststuk; bij nog andere is alleende kop duidelijk onderscheiden van de overige onderling overeenkomstige leden, diegezamenlijk het borststuk en het achterlijf vertegenwoordigen. De grenzen van sommigeleden (die men ook wel ringen of segmenten noemt) zetten zich als lijsten, spitsen en uitsteeksels van verschillende vorm naarbinnen voort om hier als aanhechtingsplaatsen te dienen voor spieren en andere weekedeelen. Dit stevig pantser vormt, in ’t kort gezegd, een uitwendig huidskelet. Het bestaat uit een stof, die men chitine noemt.
Nog belangrijker dan de geleding van den stam is voor de hier bedoelde afdeeling vanhet dierenrijk het bezit van gelede aanhangselen aan het lichaam, van ledematen. Deze komen steeds bij paren aan de buikzijde voor en kunnen aan elk segment aanwezig zijn, maar ontbreken meestal aan sommige segmenten. Oorspronkelijkwaren zij gelijksoortig; bij hun verdere ontwikkeling nemen zij echter zeer ongelijkevormen aan en dienen na hun voltooiing voor de meest verschillende verrichtingen:sommige zijn tastorganen, andere zijn bestemd voor het opnemen en fijnmaken van hetvoedsel, nog andere spelen een rol bij de voortplanting; de meeste worden als pootenter voortbeweging op vaste voorwerpen of in het water gebruikt. Door hun plaatsingaan de buikzijde van het dier onderscheidt deze zich duidelijk van de rugzijde. Degelede aanhangsels van het lichaam vormen zulk een in ’t oog loopend kenmerk van dehier bedoelde hoofdaf